U bent hier: Home / Publicaties / Titels / In de kijker / Juli 2019 - Hoe evolueert het autobezit van de Brusselse huishoudens?

Juli 2019 - Hoe evolueert het autobezit van de Brusselse huishoudens?

Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse (BISA) - In de kijker - Autobezit van huishoudens (aandeel huishoudens met minstens één auto)

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beschikt één huishouden op twee (55%) over een auto. Hoe evolueert dit fenomeen de laatste jaren?
 

Een continue daling sinds het begin van de jaren 2000

Figuur 1 : Autobezit van huishoudens (aandeel huishoudens met minstens één auto), voortschrijdend gemiddelde over drie opeenvolgende jaren van de enquête naar het huishoudbudget tussen 2000 en 2016
 

Bron: Statbel (HBO), berekeningen BISA
 

Na een piek in 2003 is het autobezit bij de Brusselse huishoudens steeds gedaald. Zo had in 2003 66% een auto en in 2014 nog slechts 55%.

Deze daling kan vooral verklaard worden door:

  • een vermindering van de gemiddelde koopkracht van de Brusselaars sinds het begin van de jaren 20001, terwijl het aandeel van het budget voor huisvesting in Brussel aanzienlijk en niet-reduceerbaar is2;
  • het minder aantrekkelijk worden van de auto in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest:
    • de plaats van de auto in de openbare ruimte wordt steeds meer in vraag gesteld. Dat leidt tot een daling van het deel van de weg dat gewijd is aan de auto, zowel voor het verkeer als voor het parkeren3;
    • Er zijn steeds meer opstoppingen op de wegen, zowel binnen als rond het Gewest4.
       
  • een mentaliteitsverandering ten opzichte van de auto, vooral bij de jongere generaties.

 

Een belangrijke terugval bij de jongeren

De daling is het sterkst bij de jongeren: het autobezit van huishoudens waarvan de referentiepersoon tussen 18 en 30 jaar oud is, daalt van 69 % (jaren 2000-2003) tot 36 % (jaren 2012, 2014, 2016). Dit fenomeen hangt samen met het feit dat jongeren in Brussel steeds later hun rijbewijs halen5.

In het algemeen leidt het uitstellen van de leeftijd waarop men leert autorijden tot een lager gebruik van de auto in de toekomst6. De daling van het autobezit bij de Brusselse jongeren voorspelt een daling van het autobezit bij deze generatie op de langere termijn.
 

Definitie en bronnen

In deze “In de kijker” verwijst het autobezit naar de mate waarin huishoudens over privéwagens beschikken, met inbegrip van een bedrijfswagen die gebruikt kan worden voor privéverplaatsingen.

De gegevens die worden gebruikt om het autobezit van de Brusselse huishoudens te meten, zijn afkomstig van de Huishoudbudgetonderzoek (HBO).

 

Een voortschrijdend gemiddelde om de onzekerheden van de enquête te verminderen

De indicatoren gebaseerd op de enquêtegegevens vertonen een zekere variabiliteit die gerelateerd is aan de steekproefprocedure: hoe groter de steekproef, hoe stabieler de indicator is; en omgekeerd. In het geval van de HBO is de jaarlijkse Brusselse steekproef bescheiden en de waarden vertonen daardoor een zekere volatiliteit van jaar tot jaar.

Om deze volatiliteit te beperken, worden de steekproeven van opeenvolgende jaren gecombineerd om de grootte van de steekproef te vergroten. Op de grafiek geeft elk punt van de curve het gemiddelde over drie opeenvolgende jaren weer7. Zo is de waarde voor het jaar 2001 het gemiddelde van de jaren 2000, 2001 en 2002; en zo verder tot 2014. We spreken van voortschrijdend gemiddelde omdat de subset van waarden waarop het gemiddelde wordt berekend (3 jaar) varieert voor elke observatie (ieder opeenvolgend jaar). Deze techniek geeft een accurater beeld van de evolutie in het autobezit van de gezinnen.

 

 Meer weten?

Lees de Focus van het BISA nr. 32– Brusselse huishoudens en de auto - die de kenmerken analyseert van Brusselse huishoudens die al dan niet over een auto beschikken.

En u vindt de cijfers over het autobezit van de huishoudens in het thema Mobiliteit en Vervoer van de website van het BISA.

 


[1] Het reële beschikbare inkomen per inwoner is tussen 2000 en 2016 met 10 punten gedaald volgens het HERMREG-model.
[2] Dit aandeel bedraagt volgens Statbel in 2016 gemiddeld 39% (https://statbel.fgov.be/nl/nieuws/een-derde-van-onze-uitgaven-gaat-naar-de-woning).
[3] BRANDELEER C., ERMANS T., HUBERT M., JANSSENS I., LANNOY P., LOIR C., VANDERSTRAETEN P., 2016. Het delen van de openbare ruimte in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Brussel: Brussel Mobiliteit. Katernen van het Kenniscentrum van de Mobiliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, nr. 5. Beschikbaar op het adres: https://mobilite-mobiliteit.brussels/sites/default/files/katern_nr_5-hoofdstuk_1-4.pdf
[4] LEBRUN K., HUBERT M., HUYNEN P., DE WITTE A.., MACHARIS C., 2013. De verplaatsingsgewoonten in Brussel. Katernen van het Kenniscentrum van de mobiliteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Brussel: Brussel Mobiliteit. Rapporten van het Observatorium voor de Mobiliteit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, nr. 2. Beschikbaar op het adres: https://mobilite-mobiliteit.brussels/sites/default/files/katernen_mobiliteit-_2_.pdf
[5] BISA, 2016. Hebben jongeren steeds minder interesse om een rijbewijs te behalen?  Brussel: BISA. In de kijker.
[6] DEMOLI Y., 2017. Het stuur nemen of laten. De sociale verankering van autorijden. Onderzoek Vervoer Veiligheid, vol. 2017, nr. 01 02, pp. 83 101.
[7] Na 2010 wordt de dataverzameling van de HBO tweejaarlijks.